De antwoorden op de vragen in deze rubriek verwoorden het
standpunt van de SDN. Aan de antwoorden kunnen geen rechten
ontleend worden. Ze kunnen door organisaties als richtinggevend
worden beschouwd.
Wetenschappelijke vraag?
U kunt bij de SDN terecht met vragen over (de toepassing van)
wetenschappelijke kennis en inzichten met betrekking tot dyslexie.
Ga eerst na of uw vraag hieronder al beantwoord wordt. Indien dit
niet het geval is kunt u contact met ons opnemen.
Andere vragen?
Ouders en/of verzorgers en leerkrachten van een kind met
dyslexie en dyslectici die vragen hebben over de zorg op de school,
vergoedingen, onderzoeksinstituten,
hulpverleningsmethoden, wettelijke regelingen en literatuur,
kunnen terecht bij het Steunpunt
Dyslexie van Landelijke Oudervereniging
Balans.
De SDN kan hun vragen
hierover niet beantwoorden.
De SDN werkt nauw samen met Oudervereniging Balans en
ondersteunt en adviseert onder meer de medewerkers van het
Steunpunt Dyslexie van Balans.
Overzicht veelgestelde vragen
- Welke
criteria moeten wij nu aanhouden?
- Wie mag
de diagnose dyslexie stellen en een verklaring afgeven?
- Welke
kwalificaties moet een deskundige hebben die na verloop van tijd
een eventueel aanvullend onderzoek doet?
- Welke
tests moeten tenminste worden afgenomen door de onderkennende
diagnose van dyslexie?
- Wordt de
diagnose dyslexie soms niet wat snel gesteld?
- Is een
intelligentieonderzoek/ -test noodzakelijk om de diagnose dyslexie
te kunnen stellen?
- Is het
mogelijk dyslexie vast te stellen bij allochtone
leerlingen?
- Er is
onduidelijkheid over het criterium achterstand. Vroeger kon pas van
dyslexie gesproken worden als leerlingen een achterstand hadden van
minstens 2 jaar. Is dat criterium nu losgelaten? Waarom is dat
losgelaten? Moeten leerlingen in plaats daarvan nu tot de zwakste
10% lezers of spellers behoren (E-niveau)?
- Hoe lang
is de dyslexieverklaring geldig?
- Welke interventies zijn erkend
als specifiek interventie in het kader van het voortraject voor
aanmelding voor diagnostisch onderzoek om in aanmerking te komen
voor vergoede dyslexiebehandeling in de
zorg?
-
Antwoorden
1. In de brochure van
de SDN staat vermeld, dat er sprake is van dyslexie bij een
significante achterstand in het lezen en/of spellen. In het PDDB
staat vermeld dat er sprake is van dyslexie bij de zwakste 10%
lezers of de zwakste 10% spellers èn zwakste 16%
lezers.
Dit betekent dus dat volgens de ene brochure dyslexie
vastgesteld kan worden bij enkel spellingproblemen en bij de andere
brochure kan dat niet. Dan moet er tevens sprake zijn van een
achterstand in lezen. Welke criteria moeten wij nu
aanhouden?
Het is belangrijk onderscheid te maken tussen het stellen van de
diagnose dyslexie en de indicatiestelling in het kader van de
vergoedingsregeling binnen de gezondheidszorg. Voor het laatste
gelden aangescherpte criteria. Dit zijn formele criteria, zoals
geboortedatum en de eisen "poortwachterfunctie-onderwijs", en
inhoudelijke criteria, zoals in geval van spellingproblemen
behorend tot de 10% zwakste spellers en behorend tot de 16% zwakste
lezers.
Spellingproblemen die voldoen aan de criteria achterstand en
didactische resistentie komen niet vaak voor zonder enig
leesprobleem. De leesproblematiek kan echter relatief minder
ernstig zijn. Daarnaast kunnen problemen met technisch lezen
gecompenseerd worden, waardoor ze bij het ouder worden
verminderen.
Volgens de richtlijnen van de SDN kan de diagnose dyslexie bij
ernstige spellingproblemen gesteld worden, als aan de criteria
zoals verwoord in de brochure voldaan is. Daarbij moet, ook als het
niet gaat om vergoede zorg, vastgesteld zijn dat het
spellingonderwijs adequaat is geweest. Is daar geen zicht op te
krijgen, dan is een periode van hulp van belang.
Inadequaat spellingonderwijs (niet aangepast aan de
instructiebehoeften van de leerling) kan een verklaring zijn voor
de spelfouten. Als de spelfouten die gemaakt worden, verklaard
kunnen worden uit dezelfde tekorten als die voor lezen gelden, is
inadequaat onderwijs als verklaring minder waarschijnlijk
Wanneer u een leerling wilt indiceren voor de vergoedingsregeling,
dan moet tevens de technische leesvaardigheid onder percentiel 16
liggen
(zie protocol PDDB bij Downloads).
naar
boven
2. Wie mag de
diagnose dyslexie stellen en een verklaring afgeven?
In de brochure van de SDN staat dat gegeven de inhoud van de
dyslexieverklaring, deze alleen kan worden afgegeven door
professionals die gekwalificeerd zijn voor het uitvoeren van
psychodiagnostisch onderzoek en beschikken over specialistische
kennis op het gebied van leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen
die daarmee samen kunnen gaan.
Daartoe is een academische graad in klinische (kinder- of
jeugd-) psychologie of orthopedagogiek vereist, alsmede een erkende
bekwaamheidsregistratie in de psychodiagnostiek, minimaal (op het
niveau van) de BIG-registratie Gezondheidszorgpsycholoog. De
K&J-registratie van het NIP en de registratie
orthopedagoog-generalist (of diagnostiek) van de NVO voldoen
hieraan.
Dit standpunt van de SDN is overgenomen door het College van
Zorgverzekeringen. CvZ stelt als voorwaarde voor opname van
diagnostiek en behandeling van dyslexie in het basispakket van de
zorgverzekering met ingang van 2009, dat "de
eindverantwoordelijkheid van de diagnostiek en behandeling bij een
psycholoog of orthopedagoog ligt ."
Deze heeft een tweejarige postacademische opleiding doorlopen en is
bij de overheid of de beroepsvereniging(en) geregistreerd als
Gezondheidszorgpsycholoog (VWS), kinder- en jeugdpsycholoog (NIP)
of orthopedagoog-generalist (NVO). De Psycholoog valt onder de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De
kinder- en jeugdpsycholoog en de orthopedagoog-generalist worden in
het kader van de vergoede dyslexiezorg als gelijkwaardig
erkend.
Het protocol 'Diagnose en Behandeling van dyslexie' leent zich
ervoor om multidisciplinair te werken. Er kunnen dus ook andere
beroepsgroepen een rol spelen in het diagnose- of behandeltraject.
Eindverantwoordelijk blijft in alle gevallen de GZ-psycholoog of
kinder- en jeugdpsycholoog dan wel orthopedagoog met een
registratie op het niveau van GZ-psycholoog."
(zie rapport: "Dyslexie:
van zorg verzekerd?" CVZ, 2007, pag.
6-7).
De vergoeding vanuit de basisverzekering geldt voor leerlingen
van basisscholen en speciale basisscholen die geboren zijn op of na
1 januari 2001.
Om in aanmerking te komen voor specifieke faciliteiten in het
voortgezet onderwijs en tijdens het eindexamen, hebben leerlingen
een dyslexieverklaring nodig. Directies moeten volgens artikel 55
van de wet op het voortgezet onderwijs aan de opsteller van de
verklaring de volgende eis stellen: "… een ter zake deskundige
psycholoog of orthopedagoog …".
In dit wetsartikel worden geen verdere kwalificaties aangegeven.
Voor ouders is het wel van belang dat de verklaring door een
psycholoog of orthopedagoog is afgegeven en niet door een remedial
teacher, logopedist etc.
naar
boven
3. Welke
kwalificaties moet een deskundige hebben die na verloop van tijd
een eventueel aanvullend onderzoek doet?
Wanneer de schoolsituatie belemmeringen aan het licht brengt,
die niet in de dyslexieverklaring zijn opgenomen en waarvoor de
leerling begeleiding of faciliteiten nodig heeft, kunnen
betrokkenen (leerling, ouders, school) de (GZ)-psycholoog of
orthopedagoog hiervan op de hoogte stellen.
Deze kan aanvullend onderzoek doen, maar meestal weten
zorgcoördinatoren van de scholen, rt-ers en vakdocenten vaak veel
beter dan de GZ-psycholoog welke belemmeringen de leerling
ondervindt. Zij kunnen een advies voor de
GZ-psycholoog opstellen. Deze zal het advies kritisch
beoordelen en dit na eventueel een gesprek met de leerling,
ouders en/of school bekrachtigen en de dyslexieverklaring
aanpassen.
Op grond van artikel 55 moet de verklaring door "… een ter
zake deskundige psycholoog of orthopedagoog" afgegeven
worden.
(zie ook het antwoord op vraag
1)
naar boven
4. Welke tests moeten
tenminste worden afgenomen voor de onderkennende diagnose van
dyslexie?
Voor de onderkennende diagnose 'dyslexie' moet
aangetoond worden dat er een significante (betekenisvolle)
achterstand is in de lees- en/of spellingvaardigheid in
vergelijking met leeftijdgenoten in een vergelijkbare
schoolsituatie (een vergelijking met een relevante
vergelijkingsgroep). Daarbij moet zichtbaar gemaakt worden dat met
kwalitatief goede remediëring die achterstand niet ingelopen
wordt.
Om voor gespecialiseerde dyslexiebehandeling in de zorg in
aanmerking te komen moet er in het diagnostisch onderzoek bovendien
worden aangetoond dat er bij de leerling sprake is van problemen
met de fonologische verwerking en/of het snel serieel benoemen van
stimuli.
(Zie hiervoor het CVZ-rapport: "Dyslexie: van zorg verzekerd?")
Welke tests afgenomen worden zal afhangen van de leeftijd van de
leerling. Van belang is dat wordt uitgegaan van gestandaardiseerde
meetinstrumenten. Voor het lezen van losse, betekenisvolle woorden
zijn bijvoorbeeld de Drie-Minuten-Toets en de Een-Minuut-Test
beschikbaar.
Bij oudere leerlingen is het laten lezen van nonsens woorden (De
Klepel) gebruikelijk. Zij kunnen door hun leeservaring en eventuele
goede verbale vaardigheden (waaronder woordenschat) betekenisvolle
woorden vaak redelijk lezen. Bij het lezen van nonsenswoorden
kunnen zij hier echter geen gebruik van maken en wordt hun probleem
duidelijk. Voor wat het spellen van woorden betreft zijn de
spellingsschaal uit het Cito-leerlingvolgsysteem en het PI-dictee
voorbeelden van gestandaardiseerde toetsen.
naar
boven
5. Wordt de diagnose
dyslexie soms niet wat snel gesteld?
Dyslexie kán vanaf het eind van groep 3 van de basisschool
worden vastgesteld, als de aanwijzingen daarvoor al heel vroeg
duidelijk waren en alle partijen zeer alert reageerden. In de
praktijk ligt het zwaartepunt eerder in groep 4. Overigens betekent
dat niet dat betrokkenen dan steken hebben laten vallen. Problemen
met het leren lezen worden juist in groep 4 duidelijk als de nadruk
binnen het lezen verschuift van ontsleutelen naar snelheid.
Het is mogelijk dat, omdat dyslexie meer in de belangstelling
staat, er sprake is van een 'inhaalslag'. Dyslexie wordt dan vaker
vastgesteld, omdat deze in vroegere jaren genegeerd werd. Alleen
als op een bepaalde school het percentage leerlingen bij wie van
dyslexie gesproken wordt aanzienlijk hoger ligt dan 3 à 4%, lijkt
er inderdaad iets vreemds aan de hand.
naar
boven
6. Is een
intelligentieonderzoek/ -test noodzakelijk om de diagnose dyslexie
te kunnen stellen?
Voor de onderkennende diagnose luidt het antwoord:
'Nee'. In de definitie van dyslexie van de Stichting
Dyslexie Nederland is de eis van discrepantie tussen begaafdheid en
leesvaardigheid, als de operationalisering van de specificiteit van
deze leerstoornis, verlaten. Alle denkbare varianten daarvan zijn
uitgebreid onderzocht en niet houdbaar gebleken.
Om voor gespecialiseerde dyslexiebehandeling in de zorg in
aanmerking te komen moet er in het diagnostisch onderzoek echter
wel intelligentieonderzoek plaatsvinden. Voor de indicerende
diagnose kan intelligentieonderzoek ook nodig zijn. Dan gaat het
namelijk niet meer om de vraag of er sprake is van dyslexie, maar
om de vraag welke belemmeringen de dyslexie oplevert voor het
volgen van onderwijs.
Een intelligentietest kan belangrijke aanvullende informatie
geven over bijvoorbeeld compensatiemogelijkheden. De resultaten van
de intelligentietest kunnen gebruikt worden bij de behandeling van
dyslectici en bij de advisering van dyslectici en omgeving (o.a.
ouders, verzorgers en leerkrachten). In het geval er écht twijfel
is over voldoende leercapaciteiten is een intelligentieonderzoek
eveneens aangewezen.
naar
boven
7. Is het mogelijk
dyslexie vast te stellen bij allochtone leerlingen?
Uiteraard kan dyslexie ook bij allochtone leerlingen worden
vastgesteld. Wel komt het er in het diagnostisch proces op aan dat
een eventuele achterstand in lezen en spellen wordt bezien in het
licht van het niveau van tweede-taalverwerving van de leerling.
Wanneer de taalvaardigheid van allochtone leerlingen geen
ernstige achterstand vertoont in vergelijking met leeftijdgenoten,
kan dezelfde procedure gevolgd worden als bij autochtone
leerlingen. Daarbij is het nog wel van belang om een kritisch
onderscheid te maken tussen het lezen en spellen van woorden. Bij
het lezen van woorden wordt met name een beroep gedaan op de
onderliggende fonologie van woorden, een aspect dat
tweede-taalleerders relatief snel onder de knie krijgen. Bij het
spellen wordt een groter beroep gedaan op de kennis van de
morfologie van de tweede taal die minder snel wordt aangeleerd.
In de praktijk blijken allochtone leerlingen wat het lezen van
woorden betreft nagenoeg hetzelfde uit te komen als autochtone
leeftijdgenoten. Bij het onderdeel spelling blijkt echter vaak
sprake van een achterstand die het gevolg is van hun (beperkte)
taalachterstand. In de diagnostiek dient hiermee rekening te worden
gehouden.
Wanneer er (nog) grote achterstanden zijn met betrekking tot
uitspraak, woordvorming en auditieve vaardigheden, is het van
belang daar eerst gericht aandacht aan te besteden. Blijkt de
leerling persistent veel moeite te hebben met het aanleren van
genoemde vaardigheden, dan dient vervolgens te worden vastgesteld
of er sprake is van een specifieke taalstoornis (ESM), dan wel van
dyslexie.
naar
boven
8. Er is
onduidelijkheid over het criterium achterstand. Vroeger kon pas van
dyslexie gesproken worden als leerlingen een achterstand
hadden van minstens 2 jaar. Is dat criterium nu
losgelaten? Waarom is dat losgelaten? Moeten leerlingen in
plaats daarvan nu tot de zwakste 10% lezers of spellers behoren
(E-niveau)?
Het criterium van een achterstand van minimaal twee jaar is
inderdaad losgelaten. Aan dat criterium voldoen leerlingen pas op
zijn vroegst in groep 5. We zijn steeds beter in staat om
leerlingen eerder te signaleren en diagnosticeren. Aan de andere
kant zegt een absoluut criterium van twee jaar achterstand niets
meer bij leerlingen uit het VO.
De achterstand wordt nu uitgedrukt in een relatief criterium. De
brochure van de Stichting spreekt over achterstand 'in
vergelijking tot een relevante vergelijkingsgroep'. Een score
op E-niveau wordt als belangrijk gezien. Het is over het algemeen
een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde. Zo ligt binnen
het voortgezet onderwijs de norm minder absoluut.
Voor sommige leerlingen gaat het E-niveau dan niet op, omdat dat
niet de relevante vergelijking is. Een voorbeeld zijn hoogbegaafde
leerlingen die zich met veel slimme trucs redelijk lang kunnen
redden, maar vastlopen wanneer de spelling van de vreemde talen aan
bod komt.
naar
boven
9. Hoe lang is de
dyslexieverklaring geldig?
De dyslexieverklaring heeft een onbeperkte geldigheidsduur.
Eenmaal dyslectisch altijd dyslectisch. De in de verklaring
opgenomen belemmeringen en de indicatie voor hulp die daarop
gebaseerd is, zullen doorgaans wel in de loop van de jaren
bijgesteld moeten worden.
De belemmeringen die een in groep 5 gediagnosticeerde leerling
ondervindt, zullen wanneer deze leerling in de brugklas zit (deels)
gewijzigd zijn. In overleg tussen betrokkenen (leerling, ouders,
school, gz-psycholoog) kan de verklaring dan aangepast worden.
Nieuw uitgebreid psychodiagnostisch onderzoek is daarvoor meestal
niet nodig.
naar boven
10. Welke
interventies zijn erkend als specifieke interventie in het kader
van het voortraject voor aanmelding voor diagnostisch onderzoek om
in aanmerking te komen voor vergoede dyslexiebehandeling in de
zorg?
Diagnostiek en behandeling van enkelvoudige dyslexie wordt onder
bepaalde voorwaarden vergoed binnen de gezondheidszorg. Daarvoor
worden eisen gesteld aan de school omdat leesproblemen altijd
ín het onderwijs ontstaan als resultaat van de interactie
tussen instructiebehoeften van de leerling en de mate waarin het
onderwijs erin slaagt hierop het juiste antwoord te geven.
Vanuit de zorg wordt daarover niet meer gezegd dan:
"Wanneer de
school bij een kind op de basisschool problemen bij het leren lezen
constateert, moet de school extra begeleiding geven aan het kind.
Indien de extra begeleiding niet leidt tot de gewenste verbetering,
kan de school het kind aanmelden voor een diagnostisch
dyslexieonderzoek."
Het is vervolgens aan de gedragsdeskundige (GZ-psycholoog,
kinder- en jeugdpsycholoog of orthopedagoog-generalist, hierna
kortweg met psycholoog aangeduid) om te beoordelen of aan de eisen
voldaan is en de aanmelding al dan niet ontvankelijk te
verklaren.
Ook is het de zorg en verantwoordelijkheid van de psycholoog om
zijn/haar besluit voor de verzekeraar te onderbouwen en
aannemelijk te maken. Hij/zij is de poortwachter, niet de
school.
Om het voortraject te kunnen beoordelen staat in het Protocol
Diagnostiek en Behandeling Dyslexie (PDBD):
"Overeenkomstig het Protocol Dyslexie Diagnostiek en
Behandeling moet de aanmelding voor de diagnostiek vergezeld
gaan van een schoolanamnese met een beschrijving van de lees- en
spellingsproblemen en van de duur, inhoud en resultaten van de
extra begeleiding."
De eisen die aan de schoolanamnese gesteld worden, maken dat wat
er op school gedaan is voor de psycholoog navolgbaar, zodat het
besluit dat hij/zij neemt omtrent ontvankelijkheid van de
aanmelding, controleerbaar is.
Om scholen houvast te bieden, is het masterplan dyslexie deze
eisen concreet gaan vertalen en heeft men voor het "voortraject"
een geprotocolleerde werkwijze ontwikkeld. Dit zijn handreikingen,
geen wettelijke voorschriften. Dat betekent enerzijds dat een
school de ruimte heeft om in voorkomende gevallen op een net iets
andere manier achterstand en hardnekkigheid aan te tonen.
Het is ook geen 'afvinklijstje', maar de psycholoog moet in alle
gevallen een zelfstandige beslissing nemen, waarvoor hij/zij de
volledige verantwoordelijkheid draagt.
Hetzelfde geldt, maar dit terzijde, voor het stellen van diagnose
en behandelindicatie. Hij/zij moet zich ervan overtuigen, dat de
school alles gedaan heeft wat in haar vermogen ligt. Dat betekent
dat er communicatie moet zijn tussen diagnost/behandelaar en school
en de schoolanamnese is daarvoor een prima middel.
Een zorg rond de regeling is hoe te bewaken dat er geen
onderwijsproblemen op het bord van de gezondheidszorg komen. Een
manier is het hanteren van strenge aanmeldingscriteria: driemaal
achterelkaar een E-score. Dit moet ervoor zorgen, dat niet meer dan
6% van alle leerlingen voor onderzoek zal worden aangemeld, van wie
4% ook een behandelindicatie krijgt.
Maar als een leerling nu een E-score heeft, na één periode net een
D-score, en daarna weer een E-score, kan zijn aanmelding dan toch
ontvankelijk zijn? Wel als de psycholoog zich niet opstelt als
boekhouder met een afvinklijstje.
Als de school overtuigend aantoont, dat de verlangde intensiteit
geleverd is, dan is het niet uitgesloten dat deze psycholoog, alles
overwegend, de aanmelding toch accepteert.
Anderzijds betekent het natuurlijk ook, dat driemaal een E-score
geen garantie is voor het ontvankelijk verklaren van een
aanmelding. De aanmelding zal niet geaccepteerd mogen worden als er
twijfels zijn over de intensiteit en/of de kwaliteit van de geboden
interventie.
De psycholoog is uiteindelijk degene die de verantwoordelijkheid
heeft om te bepalen of een leerling in aanmerking komt voor een
diagnostisch dyslexieonderzoek.
Een belangrijk kengetal is het gemiddelde aantal aanmeldingen
van een bepaalde school per jaar. Een doorsnee school heeft
jaargroepen van 26 leerlingen, 4% is 1 leerling. Bij een school die
elk jaar niet 4% maar 10 of 15% van een jaargroep aanmeldt (bij een
gemiddelde schoolgrootte zijn dat 3 of 4 leerlingen) moeten bij de
psycholoog bellen gaan rinkelen, wat er in de schoolanamnese ook
geschreven staat.
Andersom, een school die vrijwel nooit aanmeldt, heeft een grote
kans een aanmelding te doen die niet helemaal aan de eisen voldoet,
gewoon omdat die school er weinig ervaring mee heeft. In zo'n geval
is een botte niet-ontvankelijkverklaring ongepast, maar is het
hoog tijd om kennis te gaan maken.
Nog handiger is het natuurlijk als de school vooraf al het
initiatief daartoe neemt, dan wordt meteen duidelijk welke
psychologen daar wel en niet tijd voor willen maken.
naar
boven
11. Moet
de didactische resistentie bij (jong)volwassenen nog aangetoond
worden met een verslag van minimaal een half jaar remedial
teaching?
De twee criteria
achterstand en didactische resistentie zijn
noodzakelijk voor de diagnose dyslexie. Nergens in de literatuur
staat echter geschreven dat ook (jong)volwassenen eerst een periode
van remediëring door moeten alvorens didactische resistentie kan
worden vastgesteld. Dat heeft het veld zelf bedacht.
Leerlingen in VO en
volwassenen hebben al jaren gelezen en dat is een vorm van oefenen.
Dan mag verwacht worden dat zij vooruitgang geboekt hebben. Wanneer
er toch een significante achterstand is, kan op basis van alle
onderzoeksgegevens besloten worden dat didactische resistentie
aannemelijk is.
Wij zijn ons er van bewust
dat sommige psychologen en orthopedagogen altijd, bij wie dan ook,
een periode van behandeling inlassen als die niet eerder heeft
plaats gevonden. Bij jonge leerlingen is dat geheel terecht, omdat
zij midden in het leerproces zitten, maar bij (jong)volwassenen die
een veel langere leergeschiedenis hebben is dat zelden nodig.
De psycholoog of
orthopedagoog moet per geval bepalen (op basis van alle
onderzoeksgegevens) of er wel of niet nog behandeld moet worden
alvorens de diagnose gesteld kan worden. In gevallen waar twijfel
is met betrekking tot de diagnose (bijvoorbeeld bij
voornamelijk spellingproblemen en niet of nauwelijks leesproblemen)
kan een periode van intensieve hulp - en dan hebben we het
over een aantal malen per week gedurende 15 tot 20 weken - die
twijfel wegnemen.
naar boven
Andere vragen?
Wordt uw vraag niet beantwoord bij de Veelgestelde vragen en
betreft uw vraag (de toepassing van) wetenschappelijke
kennis en inzichten met betrekking tot dyslexie, dan kunt u
deze vraag stellen via het contactformulier.
Betreft uw vraag een ander onderwerp, dan kunt u
terecht bij het Steunpunt Dyslexie
van Landelijke Oudervereniging Balans. De SDN is niet in staat
dergelijke vragen te beantwoorden. Van de SDN zult u daarom
geen reactie op uw vraag krijgen.