Meer informatie over BrowseAloud Plus

De antwoorden op de vragen in deze rubriek verwoorden het standpunt van de SDN. Aan de antwoorden kunnen geen rechten ontleend worden. Ze kunnen door organisaties als richtinggevend worden beschouwd.

Wetenschappelijke vraag?

U kunt bij de SDN terecht met vragen over (de toepassing van) wetenschappelijke kennis en inzichten met betrekking tot dyslexie. Ga eerst na of uw vraag hieronder al beantwoord wordt. Indien dit niet het geval is kunt u contact met ons opnemen.

Andere vragen?

Ouders en/of verzorgers van een kind met dyslexie en dyslectici die vragen hebben over de zorg op de school, vergoedingen, onderzoeksinstituten, hulpverleningsmethoden, wettelijke regelingen en literatuur, kunnen terecht bij het Steunpunt Dyslexie van Landelijke Oudervereniging Balans.

Leerkrachten kunnen vragen op bovengenoemde gebieden stellen via de website van het Masterplan Dyslexie.

De SDN kan hun vragen hierover niet beantwoorden.

De SDN werkt nauw samen met Oudervereniging Balans en ondersteunt en adviseert onder meer de medewerkers van het Steunpunt Dyslexie van Balans.


Overzicht veelgestelde vragen

  1. Welke criteria moeten wij nu aanhouden?
  2. Wie mag de diagnose dyslexie stellen en een verklaring afgeven?
  3. Welke kwalificaties moet een deskundige hebben die na verloop van tijd een eventueel aanvullend onderzoek doet?
  4. Welke tests moeten tenminste worden afgenomen door de onderkennende diagnose van dyslexie?
  5. Wordt de diagnose dyslexie soms niet wat snel gesteld?
  6. Is een intelligentieonderzoek/ -test noodzakelijk om de diagnose dyslexie te kunnen stellen?
  7. Is het mogelijk dyslexie vast te stellen bij allochtone leerlingen?
  8. Er is onduidelijkheid over het criterium achterstand. Vroeger kon pas van dyslexie gesproken worden als leerlingen een achterstand hadden van minstens 2 jaar. Is dat criterium nu losgelaten? Waarom is dat losgelaten? Moeten leerlingen in plaats daarvan nu tot de zwakste 10% lezers of spellers behoren (E-niveau)?
  9. Hoe lang is de dyslexieverklaring geldig?
  10. Welke interventies zijn erkend als specifiek interventie in het kader van het voortraject voor aanmelding voor diagnostisch onderzoek om in aanmerking te komen voor vergoede dyslexie­behandeling in de zorg?

Antwoorden

1. In de brochure van de SDN staat vermeld, dat er sprake is van dyslexie bij een significante achterstand in het lezen en/of spellen. In het PDDB staat vermeld dat er sprake is van dyslexie bij de zwakste 10% lezers of de zwakste 10% spellers èn zwakste 16% lezers.

Dit betekent dus dat volgens de ene brochure dyslexie vastgesteld kan worden bij enkel spellingproblemen en bij de andere brochure kan dat niet. Dan moet er tevens sprake zijn van een achterstand in lezen. Welke criteria moeten wij nu aanhouden?

Het is belangrijk onderscheid te maken tussen het stellen van de diagnose dyslexie en de indicatiestelling in het kader van de vergoedingsregeling binnen de gezondheidszorg. Voor het laatste gelden aangescherpte criteria. Dit zijn formele criteria, zoals geboortedatum en de eisen "poortwachterfunctie-onderwijs", en inhoudelijke criteria, zoals in geval van spellingproblemen behorend tot de 10% zwakste spellers en behorend tot de 16% zwakste lezers.

Spellingproblemen die voldoen aan de criteria achterstand en didactische resistentie kunnen inderdaad voorkomen zonder ernstige leesproblemen. Bovendien kunnen problemen met technisch lezen soms gecompenseerd worden, waardoor ze bij het ouder worden verminderen.

Volgens de richtlijnen van de SDN kan de diagnose dyslexie bij ernstige spellingproblemen gesteld worden, als aan de criteria zoals verwoord in de brochure voldaan is. Daarbij moet, ook als het niet gaat om vergoede zorg, vastgesteld zijn dat het spellingonderwijs adequaat is geweest. Is daar geen zicht op te krijgen, dan is een periode van hulp van belang. Inadequaat spellingonderwijs (niet aangepast aan de instructiebehoeften van de leerling) kan een verklaring zijn voor spellingproblemen.
Een goede spelling is meer nog dan technisch lezen afhankelijk van goed instructie.

(zie protocol PDDB bij Downloads).

naar boven

2. Wie mag de diagnose dyslexie stellen en een verklaring afgeven?

In de brochure van de SDN staat dat gegeven de inhoud van de dyslexieverklaring, deze alleen kan worden afgegeven door professionals die gekwalificeerd zijn voor het uitvoeren van psychodiagnostisch onderzoek en beschikken over specialistische kennis op het gebied van leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen die daarmee samen kunnen gaan.

Daartoe is een academische graad in klinische (kinder- of jeugd-) psychologie of orthopedagogiek vereist, alsmede een erkende bekwaamheidsregistratie in de psychodiagnostiek, minimaal (op het niveau van) de BIG-registratie Gezondheidszorgpsycholoog. De K&J-registratie van het NIP en de registratie orthopedagoog-generalist (of diagnostiek) van de NVO voldoen hieraan.

Dit standpunt van de SDN is overgenomen door het College van Zorgverzekeringen. CvZ stelt als voorwaarde voor opname van diagnostiek en behandeling van dyslexie in het basispakket van de zorgverzekering met ingang van 2009, dat "de eindverantwoordelijkheid van de diagnostiek en behandeling bij een psycholoog of orthopedagoog ligt ."
Deze heeft een tweejarige postacademische opleiding doorlopen en is bij de overheid of de beroepsvereniging(en) geregistreerd als Gezondheidszorgpsycholoog (VWS), kinder- en jeugdpsycholoog (NIP) of orthopedagoog-generalist (NVO). De Psycholoog valt onder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De kinder- en jeugdpsycholoog en de orthopedagoog-generalist worden in het kader van de vergoede dyslexiezorg als gelijkwaardig erkend.

Het protocol 'Diagnose en Behandeling van dyslexie' leent zich ervoor om multidisciplinair te werken. Er kunnen dus ook andere beroepsgroepen een rol spelen in het diagnose- of behandeltraject. Eindverantwoordelijk blijft in alle gevallen de GZ-psycholoog of kinder- en jeugdpsycholoog dan wel orthopedagoog met een registratie op het niveau van GZ-psycholoog."
(zie rapport: "Dyslexie: van zorg verzekerd?" CVZ, 2007, pag. 6-7).

De vergoeding vanuit de basisverzekering geldt voor leerlingen van basisscholen en speciale basisscholen die geboren zijn op of na 1 januari 2001.

Om in aanmerking te komen voor specifieke faciliteiten in het voortgezet onderwijs en tijdens het eindexamen, hebben leerlingen een dyslexieverklaring nodig. Directies moeten volgens artikel 55 van de wet op het voortgezet onderwijs aan de opsteller van de verklaring de volgende eis stellen: "… een ter zake deskundige psycholoog of orthopedagoog …".

In dit wetsartikel worden geen verdere kwalificaties aangegeven. Voor ouders is het wel van belang dat de verklaring door een psycholoog of orthopedagoog is afgegeven en niet door een remedial teacher, logopedist etc.

naar boven

3. Welke kwalificaties moet een deskundige hebben die na verloop van tijd een eventueel aanvullend onderzoek doet?

Wanneer de schoolsituatie belemmeringen aan het licht brengt, die niet in de dyslexieverklaring zijn opgenomen en waarvoor de leerling begeleiding of faciliteiten nodig heeft, kunnen betrokkenen (leerling, ouders, school) de (GZ)-psycholoog of orthopedagoog hiervan op de hoogte stellen.
Deze kan aanvullend onderzoek doen, maar meestal weten zorgcoördinatoren van de scholen, rt-ers en vakdocenten vaak veel beter dan de GZ-psycholoog welke belemmeringen de leerling ondervindt. Zij kunnen een advies voor de GZ-psycholoog opstellen. Deze zal het advies kritisch beoordelen en dit na eventueel een gesprek met de leerling, ouders en/of school bekrachtigen en de dyslexieverklaring aanpassen.

Op grond van artikel 55 moet de verklaring door "… een ter zake deskundige psycholoog of orthopedagoog" afgegeven worden.
(zie ook het antwoord op vraag 1)

naar boven

4. Welke tests moeten tenminste worden afgenomen voor de onderkennende diagnose van dyslexie?

Voor de onderkennende diagnose 'dyslexie' moet aangetoond worden dat er een significante (betekenisvolle) achterstand is in de lees- en/of spellingvaardigheid in vergelijking met leeftijdgenoten in een vergelijkbare schoolsituatie (een vergelijking met een relevante vergelijkingsgroep). Daarbij moet zichtbaar gemaakt worden dat met kwalitatief goede remediëring die achterstand niet ingelopen wordt.

Om voor gespecialiseerde dyslexiebehandeling in de zorg in aanmerking te komen moet er in het diagnostisch onderzoek bovendien worden aangetoond dat er bij de leerling sprake is van problemen met de fonologische verwerking en/of het snel serieel benoemen van stimuli.
(Zie hiervoor het CVZ-rapport: "Dyslexie: van zorg verzekerd?")

Welke tests afgenomen worden zal afhangen van de leeftijd van de leerling. Van belang is dat wordt uitgegaan van gestandaardiseerde meetinstrumenten. Voor het lezen van losse, betekenisvolle woorden zijn bijvoorbeeld de Drie-Minuten-Toets en de Een-Minuut-Test beschikbaar.

Bij oudere leerlingen is het laten lezen van nonsens woorden (De Klepel) gebruikelijk. Zij kunnen door hun leeservaring en eventuele goede verbale vaardigheden (waaronder woordenschat) betekenisvolle woorden vaak redelijk lezen. Bij het lezen van nonsenswoorden kunnen zij hier echter geen gebruik van maken en wordt hun probleem duidelijk. Voor wat het spellen van woorden betreft zijn de spellingsschaal uit het Cito-leerlingvolgsysteem en het PI-dictee voorbeelden van gestandaardiseerde toetsen.

naar boven

5. Wordt de diagnose dyslexie soms niet wat snel gesteld?

Dyslexie kán vanaf groep 4 van de basisschool worden vastgesteld, als de aanwijzingen daarvoor al heel vroeg duidelijk zijn en alle partijen zeer alert reageren. Problemen met het leren lezen worden vooral in groep 4 duidelijk als de nadruk binnen het lezen verschuift van ontsleutelen naar snelheid.

Het is mogelijk dat, omdat dyslexie meer in de belangstelling staat, er sprake is van een 'inhaalslag'. Dyslexie wordt dan later vastgesteld, omdat signalen in vroegere jaren niet zijn opgemerkt. De percentages die op dit moment in de media verschijnen van leerlingen die met een diagnose dyslexie eindexamen doen achten wij erg hoog. De oorzaak van die hoge percentages is (nog) niet bekend.

naar boven

6. Is een intelligentieonderzoek/ -test noodzakelijk om de diagnose dyslexie te kunnen stellen?

Voor de onderkennende diagnose luidt het antwoord: 'Nee'. In de definitie van dyslexie van de Stichting Dyslexie Nederland is de eis van discrepantie tussen begaafdheid en leesvaardigheid, als de operationalisering van de specificiteit van deze leerstoornis, verlaten. Alle denkbare varianten daarvan zijn uitgebreid onderzocht en niet houdbaar gebleken.

Om voor gespecialiseerde dyslexiebehandeling in de zorg in aanmerking te komen moet er in het diagnostisch onderzoek echter wel intelligentieonderzoek plaatsvinden. Voor de indicerende diagnose kan intelligentieonderzoek ook nodig zijn. Dan gaat het namelijk niet meer om de vraag of er sprake is van dyslexie, maar om de vraag welke belemmeringen de dyslexie oplevert voor het volgen van onderwijs.

Een intelligentietest kan belangrijke aanvullende informatie geven over bijvoorbeeld compensatiemogelijkheden. De resultaten van de intelligentietest kunnen gebruikt worden bij de behandeling van dyslectici en bij de advisering van dyslectici en omgeving (o.a. ouders, verzorgers en leerkrachten). In het geval er écht twijfel is over voldoende leercapaciteiten is een intelligentieonderzoek eveneens aangewezen.

naar boven

7. Is het mogelijk dyslexie vast te stellen bij allochtone leerlingen?

Uiteraard kan dyslexie ook bij allochtone leerlingen worden vastgesteld. Wel komt het er in het diagnostisch proces op aan dat een eventuele achterstand in lezen en spellen wordt bezien in het licht van het niveau van tweede-taalverwerving van de leerling.

Wanneer de taalvaardigheid van allochtone leerlingen geen ernstige achterstand vertoont in vergelijking met leeftijdgenoten, kan dezelfde procedure gevolgd worden als bij autochtone leerlingen. Daarbij is het nog wel van belang om een kritisch onderscheid te maken tussen het lezen en spellen van woorden. Bij het lezen van woorden wordt met name een beroep gedaan op de onderliggende fonologie van woorden, een aspect dat tweede-taalleerders relatief snel onder de knie krijgen. Bij het spellen wordt een groter beroep gedaan op de kennis van de morfologie van de tweede taal die minder snel wordt aangeleerd.

In de praktijk blijken allochtone leerlingen wat het lezen van woorden betreft nagenoeg hetzelfde uit te komen als autochtone leeftijdgenoten. Bij het onderdeel spelling blijkt echter vaak sprake van een achterstand die het gevolg is van hun (beperkte) taalachterstand. In de diagnostiek dient hiermee rekening te worden gehouden.

Wanneer er (nog) grote achterstanden zijn met betrekking tot uitspraak, woordvorming en auditieve vaardigheden, is het van belang daar eerst gericht aandacht aan te besteden. Blijkt de leerling persistent veel moeite te hebben met het aanleren van genoemde vaardigheden, dan dient vervolgens te worden vastgesteld of er sprake is van een specifieke taalstoornis (ESM), dan wel van dyslexie.

naar boven

8. Er is onduidelijkheid over het criterium achterstand. Vroeger kon pas van dyslexie gesproken worden als leerlingen een achterstand hadden van minstens 2 jaar. Is dat criterium nu losgelaten? Waarom is dat losgelaten? Moeten leerlingen in plaats daarvan nu tot de zwakste 10% lezers of spellers behoren (E-niveau)?

Het criterium van een achterstand van minimaal twee jaar is inderdaad losgelaten. Aan dat criterium voldoen leerlingen pas op zijn vroegst in groep 5. We zijn steeds beter in staat om leerlingen eerder te signaleren en diagnosticeren. Aan de andere kant zegt een absoluut criterium van twee jaar achterstand niets meer bij leerlingen uit het VO.

De achterstand wordt nu uitgedrukt in een relatief criterium. De brochure van de Stichting spreekt over achterstand 'in vergelijking tot een relevante vergelijkingsgroep'. Een score op E-niveau wordt als belangrijk gezien. Het is over het algemeen een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde. Zo ligt binnen het voortgezet onderwijs de norm minder absoluut.

Voor sommige leerlingen gaat het E-niveau dan niet op, omdat dat niet de relevante vergelijking is. Een voorbeeld zijn hoogbegaafde leerlingen die zich met veel slimme trucs redelijk lang kunnen redden, maar vastlopen wanneer de spelling van de vreemde talen aan bod komt.

naar boven

9. Hoe lang is de dyslexieverklaring geldig?

De dyslexieverklaring heeft een onbeperkte geldigheidsduur. Eenmaal dyslectisch altijd dyslectisch. De in de verklaring opgenomen belemmeringen en de indicatie voor hulp die daarop gebaseerd is, zullen doorgaans wel in de loop van de jaren bijgesteld moeten worden.

De belemmeringen die een in groep 5 gediagnosticeerde leerling ondervindt, zullen wanneer deze leerling in de brugklas zit (deels) gewijzigd zijn. In overleg tussen betrokkenen (leerling, ouders, school, gz-psycholoog) kan de verklaring dan aangepast worden. Nieuw uitgebreid psychodiagnostisch onderzoek is daarvoor meestal niet nodig.

naar boven

10. Welke interventies zijn erkend als specifieke interventie in het kader van het voortraject voor aanmelding voor diagnostisch onderzoek om in aanmerking te komen voor vergoede dyslexie­behandeling in de zorg?

Diagnostiek en behandeling van enkelvoudige dyslexie wordt onder bepaalde voorwaarden vergoed binnen de gezondheidszorg. Daarvoor worden eisen gesteld aan de school omdat leesproblemen altijd ín het onderwijs ontstaan als resultaat van de interactie tussen instructiebehoeften van de leerling en de mate waarin het onderwijs erin slaagt hierop het juiste antwoord te geven.
Vanuit de zorg wordt daarover niet meer gezegd dan:

"Wanneer de school bij een kind op de basisschool problemen bij het leren lezen constateert, moet de school extra begeleiding geven aan het kind. Indien de extra begeleiding niet leidt tot de gewenste verbetering, kan de school het kind aanmelden voor een diagnostisch dyslexie­onderzoek."

Het is vervolgens aan de gedragsdeskundige (GZ-psycholoog, kinder- en jeugdpsycholoog of orthopedagoog-generalist, hierna kortweg met psycholoog aangeduid) om te beoordelen of aan de eisen voldaan is en de aanmelding al dan niet ontvankelijk te verklaren.
Ook is het de zorg en verantwoordelijkheid van de psycholoog om zijn/haar besluit voor de verzekeraar te onderbouwen en aannemelijk te maken. Hij/zij is de poortwachter, niet de school.
Om het voortraject te kunnen beoordelen staat in het Protocol Diagnostiek en Behandeling Dyslexie (PDBD):

"Overeenkomstig het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling moet de aanmelding voor de diagnostiek vergezeld gaan van een schoolanamnese met een beschrijving van de lees- en spellingsproblemen en van de duur, inhoud en resultaten van de extra begeleiding."

De eisen die aan de schoolanamnese gesteld worden, maken dat wat er op school gedaan is voor de psycholoog navolgbaar, zodat het besluit dat hij/zij neemt omtrent ontvanke­lijk­heid van de aanmelding, controleerbaar is.

Om scholen houvast te bieden, is het masterplan dyslexie deze eisen concreet gaan vertalen en heeft men voor het "voortraject" een geprotocolleerde werkwijze ontwikkeld. Dit zijn hand­reikingen, geen wettelijke voorschriften. Dat betekent enerzijds dat een school de ruimte heeft om in voorkomende gevallen op een net iets andere manier achterstand en hardnekkig­heid aan te tonen.
Het is ook geen 'afvinklijstje', maar de psycholoog moet in alle gevallen een zelf­standige beslissing nemen, waarvoor hij/zij de volledige verantwoorde­lijk­heid draagt.
Hetzelfde geldt, maar dit terzijde, voor het stellen van diagnose en behandel­indicatie. Hij/zij moet zich ervan overtuigen, dat de school alles gedaan heeft wat in haar vermogen ligt. Dat betekent dat er communicatie moet zijn tussen diagnost/behandelaar en school en de schoolanamnese is daarvoor een prima middel.

Een zorg rond de regeling is hoe te bewaken dat er geen onderwijsproblemen op het bord van de gezondheidszorg komen. Een manier is het hanteren van strenge aanmeldingscriteria: driemaal achterelkaar een E-score. Dit moet ervoor zorgen, dat niet meer dan 6% van alle leerlingen voor onderzoek zal worden aangemeld, van wie 4% ook een behandelindicatie krijgt.
Maar als een leerling nu een E-score heeft, na één periode net een D-score, en daarna weer een E-score, kan zijn aanmelding dan toch ontvankelijk zijn? Wel als de psycholoog zich niet opstelt als boekhouder met een afvinklijstje.
Als de school overtuigend aantoont, dat de verlangde intensiteit geleverd is, dan is het niet uitgesloten dat deze psycholoog, alles overwegend, de aanmelding toch accepteert.

Anderzijds betekent het natuurlijk ook, dat driemaal een E-score geen garantie is voor het ontvankelijk verklaren van een aanmelding. De aanmelding zal niet geaccepteerd mogen worden als er twijfels zijn over de intensiteit en/of de kwaliteit van de geboden interventie.
De psycholoog is uiteindelijk degene die de verantwoordelijkheid heeft om te bepalen of een leerling in aanmerking komt voor een diagnostisch dyslexieonderzoek.

Een belangrijk kengetal is het gemiddelde aantal aanmeldingen van een bepaalde school per jaar. Een doorsnee school heeft jaargroepen van 26 leerlingen, 4% is 1 leerling. Bij een school die elk jaar niet 4% maar 10 of 15% van een jaargroep aanmeldt (bij een gemiddelde school­grootte zijn dat 3 of 4 leerlingen) moeten bij de psycholoog bellen gaan rinkelen, wat er in de schoolanamnese ook geschreven staat.
Andersom, een school die vrijwel nooit aanmeldt, heeft een grote kans een aanmelding te doen die niet helemaal aan de eisen voldoet, gewoon omdat die school er weinig ervaring mee heeft. In zo'n geval is een botte niet-ontvankelijk­verklaring ongepast, maar is het hoog tijd om kennis te gaan maken.
Nog handiger is het natuurlijk als de school vooraf al het initiatief daartoe neemt, dan wordt meteen duidelijk welke psychologen daar wel en niet tijd voor willen maken.

naar boven

11. Moet de didactische resistentie bij leerlingen in het voortgezet onderwijs en (jong)volwassenen nog aangetoond worden met een verslag van minimaal een half jaar remedial teaching?

De twee criteria achterstand en didactische resistentie zijn noodzakelijk voor de diagnose dyslexie. Nergens in de literatuur staat echter geschreven dat ook (jong)volwassenen eerst een periode van remediëring door moeten alvorens didactische resistentie kan worden vastgesteld. Dat heeft het veld zelf bedacht.

Leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs en (jong)volwassenen hebben al jaren gelezen en dat is een vorm van oefenen. Dan mag verwacht worden dat zij vooruitgang geboekt hebben. Wanneer er toch een significante achterstand is, kan op basis van alle onderzoeksgegevens besloten worden dat didactische resistentie aannemelijk is.

Wij zijn ons er van bewust dat sommige psychologen en orthopedagogen altijd, bij wie dan ook, een periode van behandeling inlassen als die niet eerder heeft plaats gevonden. Bij leerlingen in het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs is dat geheel terecht, omdat zij midden in het leerproces zitten, maar bij leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs en (jong)volwassenen die een veel langere leergeschiedenis hebben, is dat zelden nodig.

De psycholoog of orthopedagoog moet per geval bepalen (op basis van alle onderzoeksgegevens) of er wel of niet nog behandeld moet worden alvorens de diagnose gesteld kan worden. In gevallen waar twijfel is met betrekking tot de diagnose (bijvoorbeeld bij voornamelijk spellingproblemen en niet of nauwelijks leesproblemen) kan een periode van intensieve hulp - en dan hebben we het over een aantal malen per week (inclusief oefenen) gedurende 15 tot 20 weken - die twijfel wegnemen.

Kortom, didactische resistentie moet in alle gevallen worden vastgesteld, maar om die te kunnen vaststellen is bij leerlingen in de bovenbouw voortgezet onderwijs en (jong)volwassenen zelden nog een half jaar intensieve hulp nodig.

naar boven

Andere vragen?

Wordt uw vraag niet beantwoord bij de Veelgestelde vragen en betreft uw vraag (de toepassing van) wetenschappelijke kennis en inzichten met betrekking tot dyslexie, dan kunt u deze vraag stellen via het contactformulier.

Betreft uw vraag een ander onderwerp, dan kunt u terecht bij het Steunpunt Dyslexie van Landelijke Oudervereniging Balans. De SDN is niet in staat dergelijke vragen te beantwoorden. Van de SDN zult u daarom geen reactie op uw vraag krijgen.

 


Disclaimer

De Stichting Dyslexie Nederland heeft de informatie op haar website met de grootste zorg samengesteld.

Toch kunnen wij geen aansprakelijkheid aanvaarden voor de informatie op deze website, mocht deze onverhoopt onjuistheden bevatten of verouderd zijn.

Het is niet toegestaan informatie van deze website voor commerciële doeleinden te vermenigvuldigen of aan derden beschikbaar te stellen.


Laatst gewijzigd op: 25-03-2013